Magazine | Management | Premium

Wanneer moet een slachtkoe gaan?

Stalruimte, diergezondheid, voerkosten, melkprijs … Veel verschillende factoren bepalen het ­optimale afvoertijdstip van een slachtkoe. Tips over wat belangrijk is.

Als een koe wordt afgevoerd vanwege vruchtbaarheidsproblemen, is acute afvoer niet nodig en moet een economische afweging worden gemaakt.

Er zijn verschillende redenen om een ​​koe als ongeschikt voor de fokkerij aan te merken en niet opnieuw te insemineren. Voor een deel bepaalt de reden van afvoer ook het tijdstip van afvoer: een koe met een uierziekte verlaat het bedrijf doorgaans eerder (infectie, melkverkoop) dan een koe die vertrekt wegens vruchtbaarheidsproblemen maar toch probleemloos kan worden gemolken voor zolang het duurt. Naast de biologische afvoerreden moeten ook kosten en opbrengsten een doorslaggevende rol spelen bij het vinden van het juiste moment om de slachtkoe af te voeren. Welke koe is het waard om vet te mesten en voor hoe lang? Welke koe moet binnenkort worden ingeruild voor een vaars? Zeker met de momenteel hoge voerkosten, stijgende melkprijzen en goede slachtopbrengsten dienen melkveehouders intensief over deze punten na te denken.

Doel: 90 procent verwerken

Als een dier het bedrijf verlaat, is een vervanger nodig. Een vaars ter vervanging kost zo’n 2.000 euro. Daarnaast geeft ze in het begin meestal beduidend minder melk dan de oudere slachtkoe. Het duurt ongeveer 35 tot 37 maanden voordat de vaars een ‘volledige’ vervanging biedt. Alleen al vanwege de hoge vervangingskosten moeten zoveel mogelijk beslissingen om koeien af te voeren vrijwillig worden genomen, zodat zoveel mogelijk koeien kunnen worden verkocht.

Minstens 90 procent van de afgevoerde koeien moet transporteerbaar zijn en slachtopbrengsten opleveren.
Slechts maximaal 6 tot 10 procent van alle slachtkoeien mag ongepland of onverkoopbaar vertrekken.

‘Niet verhandelbaar’ kan bijvoorbeeld betrekking hebben op gewonde koeien die worden geëuthanaseerd of afgekeurd bij het slachthuis en die bijbehorende kosten veroorzaken (geen inkomsten!). Het is nauwelijks mogelijk om alle koeien met winst te verkopen, aangezien op elk bedrijf ernstige coliforme mastitis kan voorkomen of een ongeluk kan gebeuren. In het geval van acute ziekten moeten melkveehouders goed overwegen hoeveel succes een behandeling zal hebben (inclusief melk- en vleesverbod). In individuele gevallen kan de directe verkoop van de koe economisch zinvoller zijn dan een koe die uiteindelijk weggaat maar niet langer verhandelbaar is.

Gemiddelde lactatiedag bij afvoer

Een belangrijk kengetal dat grote invloed heeft op de opbrengst van een slachtkoe van een bedrijf is de gemiddelde lactatiedag waardop koeien worden afgevoerd. Het doel is om een gemiddelde te hebben van rond de 280ste dag van de lactatie. Dit getal is een gemiddelde van koeien die op dag 30 worden afgevoerd tot koeien die 350 dagen of langer worden gemolken voordat ze het bedrijf verlaten.

  • Uitval in de eerste 30 dagen moet zo laag mogelijk zijn (maximaal 5 procent). Dit is vaak het gevolg van ziekte of verminderd koemangement.
  • Uitval in de eerste 100 dagen duidt ook op (onderliggende) diergezondheidsproblemen.
  • Koeverkopen vanaf de 250ste lactatiedag of later zijn meestal geplande slachtkoeien.

De winst mag niet worden onderschat: een koe die op melkdag 100 rond de 690 kg weegt, kan op melkdag 280 al gauw 750 kg wegen en is in die tijd melk blijven produceren. Melkveehouders dienen daarom regelmatig de verdeling en het gemiddeld aantal verloren dagen in hun veestapel te controleren.

IOFC per dier

De gemiddelde dag van afvoer binnen het koppel is een belangrijke indicator. Het tweede cruciale kengetal is de ‘Income over Feedcost’, afgekort IOFC (inkomsten naar voerkosten). Met 50 tot 60 procent van de totale productiekosten vormt voeren de grootste kostenpost. Daarom zijn de voerkosten ook van belang bij het beslissen wanneer een koe af te voeren. De IOFC berekent de efficiëntie van het huidige rantsoen per koe per dag. Deze waarde helpt dus bij het vinden van de (economisch) optimale afvoerdag voor een individueel dier. Zo werkt de berekening:

IOFC (€/koe/dag) = melkhoeveelheid  (kg meetmelk/koe/dag) * melkopbrengst  (€/kg melk) – voerkosten (€/koe/dag)

Met behulp van deze formule moet de IOFC elke twee weken worden berekend voor elke slachtkoe. De voortgang kan worden gevolgd via documentatie in bijvoorbeeld een Excel-bestand. Algemene grens-waarde: als de IOFC van een slachtkoe lager is dan 52 procent, moet ze onmiddellijk vertrekken. Afhankelijk van de bedrijfsstructuur, stalruimte en het rantsoen kan de grenswaarde per bedrijf individueel worden aangepast. Ook in speciale situaties, zoals bijvoorbeeld voor Kerstmis, wanneer de slachtprijzen boven het gemiddelde liggen, of bij koeien die over het algemeen in goede fysieke conditie verkeren, kan het zinvol zijn om de afvoer uit te stellen ondanks het bereiken van de IOFC-limiet. Belangrijk: In de formule moet de hoeveelheid meetmelk worden gehanteerd, aangezien de melkbestanddelen bij oudmelkte koeien (minder melk) gewoonlijk toenemen en afhankelijk van de melkfabriek dienovereenkomstig worden beloond. Daarnaast dienen in de berekeningen altijd actuele kosten en melkprijzen te worden gehanteerd om het maximale resultaat te garanderen. De voorbeeldberekeningen in overzicht 1 laten zien in hoeverre melkgift en voerkosten van invloed kunnen zijn op de IOFC.

Slachtkoeien apart houden?

Als het mogelijk is om slachtkoeien in een aparte groep te houden, kan dit zowel in de IOFC als in het management een positief effect hebben. Enerzijds biedt de aparte groep bescherming voor alle andere koeien, aangezien deze regelmatig tochtig zijn. Daarnaast kan duidelijk worden gecommuniceerd dat deze groep niet geïnsemineerd wordt. Ten tweede is het logisch om de afvoerkoeien apart te voeren. Als deze bijvoorbeeld restvoer gebruiken, heeft dat een grote impact op de voerkosten en daarmee op de IOFC. Het is belangrijk om een ​​geschikte waarde voor het restvoer te berekenen (hoe zou het restvoer als alternatief worden gebruikt?). Met een aparte slachtkoeiengroep moet er gezorgd worden voor voldoende koecomfort en de best mogelijke zorg om de prestaties, conditie en gezondheid van de koeien op peil te houden. Bovendien mag het verplaatsen en melken van deze dieren niet veel stress of werk opleveren.

Melkgeld versus slachtopbrengst

Naast de afvoerbeslissingen volgens IOFC is het van belang om ook de factoren stalruimte en diergezondheid mee te nemen:

  • Stalruimte en melkgeld hebben de hoogste prioriteit, dus streef altijd naar de maximale hoeveelheid melk per stalruimte (vaars vs. oude koe).
  • Voorkom overbezetting en houd tegelijkertijd de grootte van het koppel constant op peil.
  • Besluit bij probleemdieren vroeg over afvoer of niet, eventueel al voor de volgende afkalving.
  • Documenteer en analyseer regelmatig de redenen van afvoer in een managementprogramma (bijvoorbeeld onvruchtbaarheid of vertrek in de eerste lactatie).
  • Voer acuut besmettelijke dieren tijdig af (chronische uierontsteking, paratbc of iets dergelijks).
  • Klachten aan klauwen en poten herstellen vaak niet, daarom beloven deze koeien weinig winst.

Figuur 1. Vergelijking van IOFC van koeien die niet gedekt worden.

In de vergelijking is te zien op welke manier melkproductie en voerkosten invloed kunnen hebben op de IOFC. Blijft minder dan 52 procent van het melkgeld over als de voerkosten er vanaf zijn, dan moet de koe acuut worden afgevoerd.

Dubbeldoel overwegen?

Op bedrijven met dubbeldoelkoeien is de beslissing om een koe af te laten voeren vaak wat makkelijker, omdat de meer gespierde dieren meestal een goede slachtopbrengst hebben. Daarnaast is er vaak sprake van een ‘luxe vervangingspositie’. “Er wordt te veel jongvee gehouden, wat enorme kosten met zich meebrengt. Uiteindelijk leidt dit tot een vertroebeld beeld waarin de opbrengst van de slacht ervoor zorgt dat veehouders de koeien te vroeg afvoeren”, zegt Stefan Pickel (VFR GmbH Production and Management Consulting, Neustadt Aisch). Als je met IOFC het optimale tijdstip van afvoer berekent, is er nauwelijks verschil met Holsteins.

Melkveehouders met dubbeldoelkoeien verkeren wat betreft vervanging vaak in een luxe positie, omdat zowel de kalveren als de slachtkoeien meer opbrengen. Foto: Wilbert Beerling

Tekst: Katrin Hilbk-Kortenbruck in samenwerking met Thomas Mitzscherlich Hoofdfoto: Katrin Hilbk-Kortenbruck

In ’t kort

  • Om de ‘tweede carrière’ van de koe ook de moeite waard te maken, moet het tijdstip van afvoer nauwkeurig worden berekend.
  • Belangrijke kengetallen zijn de gemiddelde afvoerleeftijd van het koppel en de IOFC van de individuele koeien.
  • Bij alle berekeningen moet de focus altijd liggen op de maximale melkproductie per stalruimte.

In de vergelijking is te zien op welke manier melkproductie en voerkosten invloed kunnen hebben op de IOFC. Blijft minder dan 52 procent van het melkgeld over als de voerkosten er vanaf zijn, dan moet de koe acuut worden afgevoerd.

Je hebt zojuist een Premium artikel gelezen.
Het aantal premium artikelen dat je kunt lezen is beperkt. Wil je meer Premium lezen? Maak dan een gratis profiel aan.
Dit artikel komt uit vakblad Elite Lees meer uit deze uitgave
Dit Premium artikel krijg je cadeau. Onbeperkt lezen? Nu proberen

Elite Nieuwsbrief

Nieuwsbrief Wil je ook de tweewekelijkse nieuwsbrief ontvangen en op de hoogte blijven van de ontwikkelingen op het gebied van melkvee?