Veevoer

Cornell Nutrition Conference: tips voor meer voeropname

Des te meer koeien voor het afkalven vreten, des te meer melk ze geven in de navolgende lactatie, des te gezonder ze blijven en des te reproductiever ze zullen zijn. Maar hoe de koe te overtuigen flink te blijven vreten? Op de Cornell Nutrition Conference stonden wetenschappers klaar met interessante tips.

De hoogte van de voeropname van de melkkoe in de transitiefase is niet alleen van grote invloed op de melkproductie in de navolgende lactatie, maar ook zeker op de gezondheidstoestand van de koe alsook op de vruchtbaarheidsprestaties. Derhalve draaide het dit jaar op de Cornell Nutrition Conference bijna volledig om het thema voeropname. Welke ‘trucs’ zijn er om koeien aan te zetten zoveel mogelijk drogestof op te nemen. De experts leggen uit:

Liggen heeft topprioriteit, dan pas komt voeropname

Trevor DeVries (Universiteit Guelph, Canada): De koeien moeten de mogelijkheid krijgen zo lang mogelijk aan het voerhek te verblijven en ze moeten daar in rust kunnen vreten. Alleen als dieren geen stress ervaren, zullen ze grote hoeveelheden voer opnemen. Uit nieuwe voeronderzoeken is af te leiden dat met iedere tien minuten dat een koe langer aan het voerhek staat, de drogestofopname met circa 200 gram stijgt.

Met elke tien minuten extra vreettijd, stijgt de drogestofopname met circa 200 gram.

DeVries voegt eraan toe dat koeien bij tijdgebrek als eerst proberen hun ligtijd aan te houden. De dieren proberen 13 tot 14 uur te liggen. Pas als ze het gevoel hebben voldoende lang te hebben gerust, neigen ze weer naar het voerhek. Derhalve moet overbezetting in de stal als het even kan, worden voorkomen en het bijhouden van het strooisel in de boxen is dus ook zeer essentieel.

Om de koeien naar het voerhek te lokken is dagelijks meermaals doseren van vers voer van belang, niks zet de dieren zo aan tot naar het voerhek gaan als vers voer. Echter, gezien het meermaals uitdoseren van vers voer vaak een lastige kwestie is, met uitzondering van grote bedrijven, zou het uitdoseren van vers voer in de eerste drie uur na het melken moeten plaatsvinden. Dat zet de koeien tot twee extra wandelingen naar het voerhek aan. Het tweemaal aanbieden van vers voer, gecombineerd met regelmatig aanschuiven van het voer, zorgt voor stabiele pH-verhoudingen in de pens, mits het rantsoen goed is gemengd.

Kort stro bijmengen

Het bijmengen van stro kan averechts werken. In een onlangs afgerond voeronderzoek werd aangetoond dat op 5 tot 7,5 cm lang gesneden stro tot aanzienlijke grotere pH-schommelingen kan leiden dan kort gesneden stro (2,5 cm). Het gevolg ervan is dat de tijd waarin de pH in de pens onder de kritische waarde van 5,8 is, duidelijk korter is (tot 75 minuten per dag minder). Het stabielere pensmilieu bij de dieren in de ‘kort stro groep’ werkte door in de productie. In de eerste 24 dagen gaven de dieren 78 kg melk meer.

Bij lang stro is de tijd per dag waarin de pH-waarde in de pens onder de kritische waarde van 5,8 is, duidelijk langer.

Verder adviseert DeVries ook gist te voeren en – indien mogelijk – de vaarzen in een aparte groep te huisvesten. Van beide maatregelen is bewezen dat ze een hogere voeropname bewerkstelligen.

Lage voeropname beïnvloedt embryo‘s

Ron Butler (Cornell Universiteit, USA) wees in zijn lezing op effecten van een te lage drogestofopname in de laatste weken van de dracht. Koeien die in deze fase niet genoeg vreten, hebben in de lactatiestart een duidelijkere en langere negatieve energie balans (NEB) en hebben vervolgens ook een duidelijk minder goede vruchtbaarheid. Hierachter gaat schuil dat een suboptimale voedingsstoffenopname in de voorbereidingsfase ontstekingen in de lever kan veroorzaken (oxidatieve stress). De stofwisselingsproducten die daarbij ontstaan, tasten de voortplantingsorganen van de koe aan en later zelfs het embryo. Dit noemt men het carry over-effect. De effecten van zulke ontstekingen kunnen tot drie maanden lang invloed hebben.

Butler adviseert derhalve naast de optimalisatie van het koppelmanagement in de transitiefase, ook genomics in te zetten om versterkt op goede vreettypes te selecteren. Zo kan de voeropname verhoogd worden, de immuniteit van de koeien wordt versterkt en uiteindelijk verbeteren ook de diergezondheid en vruchtbaarheid.

De stofwisselingsproducten bij een NEB tasten later zelfs de embryo’s aan (het carry over-effect).

Niet alle vetten zijn geschikt voor verse koeien

Adam Lock (Michigan State Universiteit, USA) ging in zijn voordracht uitvoerig in op het voeren van vet aan verse koeien. In de praktijk is sprake van elkaar tegensprekende ervaringen. Op een melkveebedrijf leidde toevoeging van vet tot een betere energiebalans en zodoende hogere producties (gehalten). Anderzijds werd in praktijksituaties gesproken van minder voeropname bij vettoevoeging. Dit beeld is ook op te maken uit de meeste wetenschappelijke literatuur. Inmiddels lijkt de verklaring te zijn gevonden: het ene vet is niet het andere vet. Afhankelijk van de samenstelling (vetzuren) schijnen vetten verschillend te werken. C16:0 vetzuren schijnen melkproductie bevorderend te zijn, maar het gaat wel met een verhoogd verlies van gewicht samen. Worden deze C16:0 vetzuren vermengd met C18:1 vetzuren, dan stijgt de melkproductie en verliezen de koeien geen gewicht.

Worden de vetzuren C16:0 en C18:1 gemengd, dan stijgt de melkproductie en verliezen de koeien geen gewicht.

Verteerbaarheid ruwvoer is doorslaggevend

LaCount (Cornell Universiteit, USA): Over de vraag hoeveel vezels verse koeien nodig hebben heeft zich een werkgroep in Ithaca (Cornell Universiteit) gebogen. Om de vraag te beantwoorden werden onlangs meerdere voeronderzoeken uitgevoerd.

In onderzoek 1 (56 koeien) kregen de verse koeien een vezelarm rantsoen (21,5% peNDF, (pe = fysisch effectief)) als ook een vezelrijk mengsel (25% peNDF). Daaruit werd afgeleid dat koeien in de eerste (vier) lactatieweken tussen 0,29 en 0,35 procent van hun lichaamsgewicht aan onverteerbare NDF nodig hebben. Omgerekend is dat 9,5 tot 11 procent van de drogestof in het rantsoen.

In onderzoek 2 (85 koeien) werd een hoog verteerbare (Brown MidRib, BMR) maiskuil met een ‘normale’ maiskuil vergeleken. Resultaat: De met BMR-mais gevoerde koeien namen meer drogestof op wat zich in een hogere melkproductie en lagere NEFA- en BHB- waarden in het bloed omzette en dus een lagere stofwisselingsbelasting.

Samenvatting

Samenvattend kan geconcludeerd worden dat de drogestofopname van transitiekoeien in hoogproductieve melkveekoppels van enorme betekenis is. Alles moet op alles gezet worden om deze koeien ‘aan het vreten’ te houden. Als onderdeel daarvan zien wetenschappers ook het gebruiken van sensoren voor de monitoring van de herkauwduur en stofwisselingsparameters. Kleine afwijkingen ten opzichte van het optimum, kunnen immers het stofwisselingsproces namelijk al verstoren.

Tekst en foto’s: Gregor Veauthier

Meer over:
Veevoer
Deel dit bericht: Facebook Twitter LinkedIn

Elite Nieuwsbrief

Nieuwsbrief Wil je ook de tweewekelijkse nieuwsbrief ontvangen en op de hoogte blijven van de ontwikkelingen op het gebied van melkvee?