Premium | Veevoer

Niet alle vetten geschikt voor nieuwmelkte koeien

Het is interessant om aan rantsoenen voor hoogproductieve koeien vetten toe te voegen, omdat de rantsoenen daarmee een hogere energetische waarde krijgen. Maar niet ieder vetmengsel is geschikt om aan melkkoeien te voeren.

Adam Lock (Michigan State Universiteit) ging in zijn lezingen op de Cornell Nutrition Conference, eind vorig jaar in Syrcuse, New York, VS, in op het voeren van vet aan nieuwmelkte koeien. Tot nu toe wordt vanwege tegenstrijdige proefresultaten en uiteenlopende praktijkervaringen met vettoevoeging het gebruik van vetten in de eerste vijf tot zeven lactatieweken afgeraden.

Wat zeggen literatuur en praktijk?

Literatuuronderzoek maakt duidelijk dat bij enkele voerproeven vettoevoeging tot een betere energiebalans en daarmee tot hogere melkproducties leidt, maar dat andere voerproeven bij vettoevoeging juist een daling van de voeropname laten zien. Ongeveer dezelfde resultaten worden gemeld door melkveehouders die vetten aan de rantsoenen toevoegden. Het lijkt erop dat vettoevoeging leidt tot een lagere voeropname. Daardoor nemen de nieuwmelkte koeien ondanks de toegevoegde vetten uiteindelijk minder energie op.

Negatieve invloed op conditie: C16:0

Nu lijkt voor dit beeld een begin van een verklaring te zijn gevonden: niet alle vetten zijn hetzelfde. Afhankelijk van de samenstelling van het vet (type vetzuur) hebben vetten uiteenlopende effecten op dieren. Zo lijken C16:0-vetzuren melkproductiebevorderend te zijn, maar gepaard te gaan met een groter gewichtsverlies bij koeien. Uit de evaluatie van uit zes voerproeven verkregen gegevens, bleek dat vettoevoeging de verteerbaarheid van NDF met maximaal vijf procent  verhoogde, bij gelijkblijvende voeropname. Overigens trad het positieve effect op de voeropname en de melkproductie (+4,7 kg) pas in de vierde lactatieweek op.

C16:0 of C18:1

In andere studies werd het rantsoen van hoogproductieve melkkoeien aangevuld met een vetmengsel dat bestond uit C16:0- en C18:1-vetzuren. Interessant was dat een hoog gehalte aan C16:0-vetzuren bij de koeien met minder dan 45 kg melkproductie, leidde tot een omzetting van de toegevoegde energie, terwijl een hoger aandeel aan cis­9 C18:1-­vetzuren meer energie beschikbaar maakte bij de koeien met dagproducties van meer dan 60 kg. Bovendien bleven de koeien daarbij in goede conditie, zonder gewichtsverlies.

Conclusie

Het lijkt erop dat verschillende vetzuren op verschillende manieren werken in het organisme van een koe. Terwijl het ene vetzuur meer energie naar de vetdepots leidt en daarmee gewichtstoename veroorzaakt, sluist een ander vetzuur meer energie door naar de melkklieren. Deze nieuwe inzichten rechtvaardigen de verwachting dat er in de toekomst speciale vetrijke voertoevoegingen voor het optimaliseren van de energietoediening aan zeer hoogproductieve melkkoeien beschikbaar zullen zijn.

Meer nieuws van de Cornell Nutrition Conference leest u in de tweede Elite-uitgave van 2018.

Het ene vet is het andere niet. Afhankelijk van de samenstelling van de vetzuren, lijken vetten verschillende effecten in het dier te hebben.

Je hebt zojuist een Premium artikel gelezen.
Het aantal premium artikelen dat je kunt lezen is beperkt. Wil je meer Premium lezen? Maak dan een gratis profiel aan.
Dit Premium artikel krijg je cadeau. Onbeperkt lezen? Nu proberen
Over de auteur: Wilbert Beerling
Wilbert Beerling groeide op een melkveebedrijf op. Sinds 2011 werkt Wilbert bij AgriMedia waar hij nu zorg draagt voor de samenstelling van de vakbladen Elite...
Meer over:
Veevoer
Deel dit bericht: Facebook Twitter LinkedIn

Elite Nieuwsbrief

Nieuwsbrief Wil je ook de tweewekelijkse nieuwsbrief ontvangen en op de hoogte blijven van de ontwikkelingen op het gebied van melkvee?