Veevoer

‘Maximum suiker en afbreekbaar zetmeel in rantsoen zinvol’

Het kan zinvol zijn om een maximum te stellen aan het gehalte aan suikers en afbreekbaar zetmeel in het rantsoen. Dat zegt Johan de Boever van het ILVO (Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek in Vlaanderen).

Vanaf het inkuilmoment neemt het percentage bestendig zetmeel en bestendig eiwit in snijmaïssilage geleidelijk af en stijgt het gehalte aan fermenteerbare organische stof (FOS). Het gehalte pensafbreekbaar zetmeel in de kuil stijgt tijdens de conservering, waardoor het risico op pensverzuring bij het vervoederen van de kuil toeneemt naarmate de tijd verstrijkt. Daarom zou het zinvol zijn een maximum te stellen aan het gehalte suikers en afbreekbaar zetmeel in het rantsoen.

Kort na inkuilen bevat de silage nog veel bestendig zetmeel, waardoor in zeer maïsrijke rantsoenen de verteringscapaciteit van de dunne darm overschreden kan worden. Toevoeging van een amylase aan het rantsoen kan dan zinvol zijn. “Het percentage bestendig zetmeel en bestendig eiwit in een snijmaïssilage  hangt af van de maïscultivar (melig of glazig endosperm), de rijpheid van de maïs (het drogestofgehalte) bij de oogst, de haksellengte en de duur van inkuilen”, vertelt De Boever.

Invloed van inkuilduur

Bij het ILVO is de invloed van inkuilduur op de bestendigheid van zetmeel en eiwit nader onderzocht. Zes maïscultivars, geoogst in twee rijpheidsstadia, zijn gedurende verschillende periodes ingekuild. Hieruit bleek dat de percentages bestendig zetmeel en eiwit na een half jaar in de kuil significant was afgenomen en dat het effect van inkuilduur sterker was bij drogere kuilen. De Boever verwerkte de data van deze en andere inkuilexperimenten modelmatig en concludeert dat na elf maanden inkuilen een plateau-waarde werd bereikt van 17,4 procent bestendig zetmeel, ten opzichte van 30 tot 37 procent bestendig zetmeel bij inkuilen van maïs met respectievelijk 32 en 44 procent drogestof.

CVB past berekening aan

Op basis van bijna 2.500 analyses gedurende de laatste 5 jaar afkomstig van Eurofins paste het Centraal Veevoeder Bureau de drogestofclassificaties van maïskuilen in de CVB-tabel aan. De nieuwe data zijn inmiddels ook verwerkt in de Voederwaardecalculator, waarmee op basis van het drogestofgehalte en de inkuilduur de snijmaïssilagekenmerken (BZET, BRE, FOS, DVE en OEB) worden voorspeld. De nieuwe inzichten in het verloop van %BZET en %BRE in snijmaïskuil hebben geringe effecten op DVE en OEB. (ZuivelNLprojecten / ILVO / CVB)

Over de auteur: Jasper Lentz
Jasper Lentz (1989) is geboren in Hardenberg (Ov.) en is opgegroeid in het Drentse dorp Dalen. Na de studie Journalistiek is hij in 2013 aan...
Meer over: Veevoer
Deel dit bericht: Facebook Twitter LinkedIn

Blijf op de hoogte

Nieuwsbrief Meld u aan voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte van de ontwikkelingen op het gebied van melkvee.