Gezondheid

Staphylococcus aureus of CNS: groot verschil in de uier

Mastitis kan worden veroorzaakt door verschillende soorten bacteriën. Sommige daarvan hebben een vergelijkbare naam, maar gedragen zich heel anders in de uier van de koe. Dat geldt bijvoorbeeld voor Staphylococcus aureus en andere stafylokokkensoorten.

Stafylokokken is de verzamelnaam van een groep bacteriën, terwijl ‘aureus’ de specifieke soort aanduidt. De meeste melkveehouders kennen Staphylococcus aureus als een belangrijke mastitisverwekker: besmettelijk en lastig te genezen.

Naast Staph. aureus bestaan er meer dan 50 andere stafylokokkensoorten. Deze groep is in Nederland doorgaans bekend als coagulase-negatieve stafylokokken (CNS), internationaal steeds vaker aangeduid als non-aureus stafylokokken (NAS). Staph. aureus en CNS behoren tot dezelfde bacteriefamilie, maar zijn duidelijk verschillende soorten die zich anders gedragen in de uier.

Staphylococcus aureus

Staph. aureus is sterk besmettelijk. De belangrijkste infectiebron is melk afkomstig uit een besmette uier. Overdracht vindt vaak plaats tijdens het melken, wanneer spenen in contact komen met melk in tepelvoeringen die eerder gebruikt zijn bij een besmette koe.

Wanneer deze bacterie een gezonde koe infecteert, dringt zij via het speenkanaal diep door in de uier. Daardoor kan de bacterie zich verschuilen voor het immuunsysteem van de koe. Deze diepgelegen infecties maken het moeilijk voor antibiotica om de infectiehaard te bereiken. Dat verklaart ook waarom Staph. aureus zo lastig te genezen is.

De belangrijkste preventieve maatregel is het dippen van de spenen na het melken. Daarmee worden bacteriën op de speenhuid gedood en neemt de kans af dat bacteriën het speenkanaal binnendringen. Daarnaast is het beperken van contact met besmette melk essentieel. Zodra Staph. aureus wordt vastgesteld, is het verstandig de betreffende koe apart te houden of als laatste te melken om verspreiding naar gezonde dieren te voorkomen.

De respons op antibioticabehandeling ligt doorgaans onder de 50 procent. Chronische gevallen reageren vaak helemaal niet meer op behandeling. Daarom wordt het afvoeren van koeien met Staph. aureus regelmatig geadviseerd.

In het laboratorium vormen Staph. aureus-kolonies grote, crèmekleurige kolonies die hemolyse veroorzaken, zichtbaar als een heldere zone rond de kolonie op bloedagar. Voor bevestiging worden aanvullende testen gebruikt, zoals mannitolvergisting en de coagulase-test. Deze laboratoriumkenmerken laten zien hoe agressief en invasief Staph. aureus is en verklaren waarom de bacterie zich zo moeilijk laat bestrijden in de uier.

Andere stafylokokkensoorten

Coagulase-negatieve stafylokokken (CNS) omvatten meer dan 50 bacteriesoorten die tot hetzelfde geslacht behoren als Staph. aureus, maar zich heel anders gedragen. Ze komen veel voor op de speenhuid en in het speenkanaal. Deze bacteriën grijpen vooral hun kans bij onvoldoende speenhygiëne. Wanneer de speenhygiëne onvoldoende is, kunnen sommige bacteriën het kanaal binnendringen en een milde tot matige subklinische infectie veroorzaken.

In tegenstelling tot Staph. aureus dringen de meeste CNS-bacteriën niet diep door in de uier en veroorzaken ze minder schade. Sommige soorten kunnen echter langere tijd in de uier aanwezig blijven en zorgen dan voor een gematigde verhoging van het celgetal, meestal tussen 300.000 en 500.000 cellen per milliliter melk. Klinische mastitis komt zelden voor en geneest vaak spontaan. Wanneer behandeling nodig is, volstaan meestal uierinjectoren gedurende één tot drie dagen.

Goed management is de belangrijkste manier om CNS-infecties te voorkomen. Effectieve reiniging en desinfectie van de spenen vóór het melken is daarbij de belangrijkste maatregel. Subklinische infecties reageren bovendien goed op antibiotisch droogzetten.

Celgetal kan sterk schommelen

In het laboratorium vormen CNS meestal middelgrote tot grote, witte of crèmekleurige kolonies. De meeste veroorzaken geen hemolyse, al zijn er uitzonderingen. Hetzelfde geldt voor de coagulase-test: de meeste soorten zijn negatief, maar enkele kunnen positief reageren. Ook zijn de meeste soorten negatief voor een laboratoriumtest waarbij bacteriën worden onderscheiden op basis van hun vermogen om mannitol te vergisten.

Bij het beoordelen van bacteriologische uitslagen is het daarom belangrijk goed te kijken of er sprake is van Staph. aureus of van CNS. Het celgetal kan namelijk sterk variëren, zelfs wanneer een kwartier continu geïnfecteerd blijft.

In een recente studie werden gedurende 56 dagen om de twee weken melkmonsters genomen van koeien met subklinische infecties. In alle meetmomenten testten beide koeien positief op bacteriologische kweek, terwijl de melk er normaal uitzag. Het celgetal van de koe met Staph. aureus lag doorgaans hoger dan dat van de koe met CNS, maar schommelde sterk. Ook bij de CNS-koe steeg het celgetal op één meetmoment plotseling fors, ondanks dat de infectie gedurende de hele periode aanwezig bleef.

Opvallend was dat de koe met Staph. aureus enkele maanden later werd afgevoerd, terwijl de koe met CNS nog steeds in het koppel aanwezig is.

Kortom: verschillen tussen bacteriesoorten binnen het geslacht Staphylococcus bepalen in sterke mate hoe de infectie zich gedraagt. Het onderscheid tussen Staph. aureus en CNS is daarom belangrijk, omdat Staph. aureus agressiever en besmettelijker is. Bacteriologisch onderzoek van melkmonsters blijft essentieel om deze infecties gericht aan te pakken.

Bron: Lara Juliano op Hoard’s Dairyman

WhatsAppDelen met vrienden / collega's via WhatsApp
Over de auteur: Wilbert Beerling
Wilbert Beerling groeide op een melkveebedrijf op. Sinds 2011 werkt Wilbert bij AgriMedia waar hij nu zorg draagt voor de samenstelling van de vakbladen Elite...
Meer over:
Gezondheid

Elite Nieuwsbrief

Nieuwsbrief Wil je ook de wekelijkse nieuwsbrief ontvangen en op de hoogte blijven van de ontwikkelingen op het gebied van melkvee?