Een ALVA van rond de 23 maanden lijkt voor Holstein-vaarzen een goede richtwaarde. Vaarzen die jong afkalven, blijven vaker in de veestapel en realiseren over de eerste twee lactaties een hogere cumulatieve melkproductie. Dat blijkt uit Amerikaans onderzoek van Michael Overton onder 128.252 Holsteinkoeien op 74 melkveebedrijven.
De cumulatieve melkproductie tot en met 305 dagen in de tweede lactatie was met 18.330 kg het hoogst bij een eerste afkalving op 23 maanden. Bij 22 maanden was dit 18.133 kg. Vanaf 24 maanden nam de cumulatieve productie af.
Hogere ALVA, meer risico
Tegelijkertijd liep bij een hogere afkalfleeftijd het risico op afvoer of sterfte op. In de eerste lactatie bedroeg dit risico 18,1 procent bij 22 maanden en 18,8 procent bij 23 maanden, tegenover 26,4 procent bij 26 maanden en 35,4 procent bij 27 maanden.
Dat werkt ook door in het financiële resultaat. Het berekende netto-inkomen lag bij een eerste afkalving op 21 tot 23 maanden rond 5.050 dollar per dier. Daarna daalde het geleidelijk tot 4.388 bij 27 maanden.
23 maanden redelijke benchmark
Wetenschapper Kirby Krogsted noemt in zijn nieuwsbrief Some Udder Thought op basis van deze resultaten 23 maanden een redelijke benchmark. Daarbij blijft de ontwikkeling van de vaars doorslaggevend: een ALVA rond 23 maanden is alleen wenselijk als de vaars bij inseminatie en eerste afkalving voldoende ontwikkeld en op gewicht is.
Bronnen: Michael W. Overton (2026), Associations between Age at First Calving, Productivity, Survival and Economic Performance in U.S. Holsteins, JDS Communications, DOI 10.3168/jdsc.2026-1103 en Some Udder Thought






